Interview met een Kalinga koppensneller
Tristan:
Wat is je naam en in welk dorp woon je?
Puyao: Mijn naam in Puyao en ik woon in Ambato Dalag.
Tristan: Hoe oud ben je?
Puyao: Dat weet ik niet, we hadden toen nog geen kalender in het dorp.
Tristan: Ben je een Kalinga krijger?
Puyao: Jazeker, ik heb 40 koppen gesneld.
Tristan: Waar heb je deze gesneld?
Was het in de Kalinga dorpen?
Heb je tegen Ifugao stammen gevochten?
Puyao: Nee, ik snelde in Kalinga dorpen, zoals Tabula, Lubuangan en Basao.
Tristan: Je liet me een menselijk bot zien die je als slagstok voor je gong gebruikt. Was dit een bot van een van je slachtoffers?
Puyao: Natuurlijk.
Tristan: Welke menselijke bot behoud je als trofee?
Puyao: Het kaakbeen.
Tristan: Beoefen je nog steeds de oude rituelen?
Puyao: Ja, we dansen de Lao-Rao, de dans die we doen vlak voordat we een Carabao of varken slachten voordat we gaan koppensnellen.
Tristan: Wanneer heb je het laatste hoofd gesneld?
Puyao: Dat is lang geleden... 1943... tijdens de tweede wereldoorlog hielp ik de Amerikanen met bevoorraden. Toen de Japanners kwamen heb ik van velen hun hoofd gesneld om mijn volk te helpen winnen.
Tristan: Wanneer is er hier voor het laatst door een koppensneller een hoofd gesneld?
Puyao: Dat is twee jaar geleden.
Toen een jongen verliefd werd op een meisje uit een ander dorp en zij door de broer van het meisje gesnapt werden, heeft de broer de jongen vermoord.
Er is twee jaar lang ruzie geweest. Pas toen het hoofd van de broer gesneld was, was de ruzie over.
Tristan: Kan je een van de oude koppensnellers liederen voor me zingen?
Puyao: Ja, ik ken een lied van de krijger. Dat lied zingen we altijd voordat we op jacht gaan.
   
Tenslotte vraag ik Puyao of ik zijn 'Fatoc' mag zien. Dit is een decoratieve lichaamstatoeage die de status van koppensneller aangeeft. Puyao trekt zijn shirt uit. Met trots laat hij de twee bundels van strepen zien die zijn borst sieren. Vanaf beide kanten buigen ze om tot halverwege zijn bovenarm. Met een soort prikkeldraadtafereel worden de bundels temidden van zijn borst aan elkaar verbonden. Hoe meer bundels, des te meer koppen gesneld.
Ondanks zijn gerimpelde huid is zijn Fatoc nog duidelijk zichtbaar. Het lijkt net of er een spirituele kracht vanuit straalt, een kracht van moed en ontzag. Een kracht die mij verteld deze man te eren ongeacht of zijn daden in onze ogen goed of slecht zouden zijn geweest.

Dankbaar geef ik Puyao wat geschenken en schud zijn hand.

Interview door Tristan R. Raggers
Met dank aan Francis Pa-In voor de vertaling