|
'World
Canoe Expedition deel 1'
Wereldreizigers
doen verslag vanaf de Filippijnen
Na
twee weken duiken op het eiland Boracay gaat de 'World Canoe
Expedition' van start. Voor de komende zes weken varen we
met onze Ally weg van het toerisme naar onbekende eilandjes.
Een tocht over zeeën, waar stromingen, golven en haaien
het duo niet terug doet deinen. 'Toch... als ik soms terugkijk,
verklaar ik ons voor gek !' zegt Tristan.
Oversteek
naar het onbekende
Voordat we met onze geplande kanotocht naar de noordelijker
gelegen Carabao en Tablas Islands vertrekken, moeten we
eerst wachten totdat de lichte typhoon, die momenteel op
komst is, is overgewaaid. Na drie dagen is de storm voorbij
en slaan we eten en water voor een paar dagen in. Op het
moment dat we de Ally naar het strand dragen zijn wij voor
de verandering 'de toeristische attractie'. Menig mond valt
open als we vertellen dat we naar Santa Fe op Tablas Island
gaan, zo'n twee dagen peddelen van hier. "Why don't
you go by banka(1), it's only 50 peso". We kunnen ze
niet laten begrijpen dat we dit voor ons plezier doen. "Waarom
beklimmen mensen bergen ?", dat is net zoiets. Een
Duitser, die hier volgens zeggen al dertien jaar komt, vertelt
ons over de sterke stroming en de hoge golven die er tussen
Boracay en Carabao Island zijn. Dit weten we echter al omdat
we tijdens een van onze proeftochten eerder in deze passage
hebben gevaren. Daarom maken we de oversteek ook tussen
de getijdenstromingen door en hebben we ons vertrek van
de windsterkte af laten hangen. Wat we echter nog niet weten
is dat er, volgens hem, acht meter lange, zeer hongerige,
haaien leven, er gevaarlijke draaikolken zijn en dat de
bewoners van Carabao Island vriendelijk lijken maar niet
te vertrouwen zijn. Het is ons al snel duidelijk dat deze
man nogal van overdrijven houdt of ons gewoon wil proberen
te imponeren met zijn stoere praatjes. We weten dat er haaien
leven want die hebben we een aantal dagen geleden tijdens
het duiken zelf gezien, maar dat is wel op dertig meter
diepte. We weten ook dat de film 'Jaws' hier niet is opgenomen,
dat er geen schepen door draaikolken of wat voor reden dan
ook zijn vergaan en dat er geen kannibalen of koppensnellers
meer op Carabao Island leven. De hoogste tijd dus om te
vertrekken. Via de westelijke kustlijn van Boracay varen
we naar de top van het eiland. De wind komt vanuit het oosten,
dus de eerste zes kilometer varen we in de luwte. Voordat
we langs de kliffen, in het noorden van het eiland, varen
en aan de oversteek beginnen, spannen we het spatzeil op
een strandje over de Ally en trekken onze zwemvesten aan.
De overtocht blijkt in het begin mee te vallen, totdat we
halverwege in kruisgolven terecht komen: Dit is als er golven
van verschillende kanten tegen elkaar opbotsen en een onvoorspelbare,
vaak rollende golf, laat ontstaan. Het is net alsof we op
een wildwater rivier varen en kunnen de kano dan ook maar
met moeite in koers houden. Golven slaan stuk op het spatdek
en we gaan nog maar langzaam vooruit. Als we de kruisgolven
voorbij zijn, hebben we de golven half van achteren, waardoor
we minder peddelslagen hoeven te geven om toch snel vooruit
te komen. We zijn nu ruim over de helft en het is nog zo'n
twee kilometer tot Carabao Island. We landen bij een klein
strandje waar een tiental kinderen spelen. We vragen de
ouders of we hier even kunnen zwemmen en uitrusten. We delen
wat snoep aan de kinderen en sigaretten aan de mannen uit.
Voor het eerst maken we de ontspannen Filippijnse sfeer
mee. Kinderen rennen in hun blootje rond en verdringen zich
om ons en de kano heen. De ouders lachen en kijken toe vanuit
de schaduw of komen nieuwsgierig aan de kano voelen. We
varen verder langs de kust en genieten van het alleen zijn,
de vrijheid en weg van het toerisme. Aan het eind van de
middag komen we bij een piepklein dorpje uit. Men spreekt
hier geen woord Engels en met tekeningen en gebaren proberen
we uit te leggen dat we hier onze tent op willen zetten
om de nacht door te brengen. "Wat bedoelen die gekke
blanke ... niemand kan toch een huis in zo'n klein bootje
meenemen ?!". Men gebaart ons mee te komen en bieden
ons een slaapplaats in een leegstaand huisje aan. Een van
de dorpsjongens is vereerd met zijn nieuwe westerse vrienden
en klimt in een palmboom om een aantal kokosnoten voor ons
te plukken.
Het dorpje begint de volgende ochtend al vroeg te leven.
Op het moment dat wij vertrekken zijn de meeste vissers
al uitgevaren. De zee is rustig en er staat weinig wind.
We varen kilometers langs hoge kliffen met af en toe een
klein strandje. Het eiland kent niet veel bewoners, slecht
een enkele keer komen we een vissersbootje van de dorpelingen
tegen, waar we afgelopen nacht bij in het dorp hebben geslapen.
Op de kop van het eiland is een dorpje waar we aanmeren.
Aan een visser op het strand proberen we met gebaren te
vragen of de oversteek naar Santa Fe een probleem zal zijn:
"No prob-bel-lem, no prob-bel-lem", is zijn antwoord.
De oversteek is langer dan van Boracay naar Carabao Island,
maar de zee is zo rustig dat het inderdaad geen enkel probleem
geeft.
Vissersboot
zonder vangst
De volgende bestemming is de Calamian Group in Noord Palawan.
Om hier te komen moeten we eerst naar Mindoro. Dit eiland
ligt echter te ver weg om de oversteek per kano te maken.
In de havenplaats Odionga, zo'n twee dagen peddelen van
Santa Fe, vertrekt een grootte outriggerboot(1) naar Mindoro.
Als we hier aankomen nemen we een jeepney(2) naar San Jose
dat aan de andere kant van het eiland ligt en waar boten
naar Palawan vertrekken. In San Jose beginnen we te informeren
wanneer er een boot naar Coron, in Noord Palawan, vertrekt.
In tegenstelling met wat ons is verteld, blijkt er helemaal
geen regelmatige passagiersverbinding vanaf San Jose naar
Palawan te gaan. De reden hiervoor is dat de zee in deze
straat vaak onvoorspelbaar en te gevaarlijk voor de kleine
bootjes is. Daarbij staat er een sterke stroming die naar
de Zuid Chinese Zee leidt en er, in geval van afdrijven,
voor honderden kilometers geen land meer te bekennen is.
Met al deze informatie valt ook de oversteek met onze Ally,
volgens de veiligheidsmaatregelen van ons persoonlijke kano
handboek, af. Alleen de oversteek met een grootte passagiersboot
vanuit Manilla zou verantwoord zijn. Nu hebben we alleen
de pech dat deze maar één keer per week vertrekt
en dat was gisteren. Ik krijg het idee om het eens bij de
grote vaart te proberen. Het blijkt dat er die avond een
grote olietanker vanuit Manilla binnenkomt die de volgende
ochtend naar Puerto Princesa vertrekt. We zouden eventueel
met dit schip mee kunnen. Puerto Princesa ligt echter wel
op Palawan, maar veel te veel naar het zuiden. Het zal dagen
kosten om dan weer terug naar Coron te reizen. We besluiten
terug naar de haven te gaan en aan de vissers te vragen
of iemand naar Coron gaat waar we eventueel mee aan boord
kunnen. Bobby, onze tricycle(3) chauffeur die ons naar de
haven brengt, blijkt erg behulpzaam als we hem ons probleem
voorleggen. Bij de vissersboten helpt hij ons met vertalen.
Na een lange tijd van rondvragen, komen we uiteindelijk
bij een boot aan die vannacht om vijf uur naar Lungaon vertrekt.
Lungaon is een klein vissersdorpje op Busuanga Island, hetzelfde
eiland waar Coron ook ligt. De kapitein is er op dat moment
niet maar één van zijn bemanningsleden zegt
dat we om 02.00 uur terug moeten komen. We nodigen Bobby,
als dank voor zijn hulp, bij het avondmaal uit en vragen
of hij ons vannacht weer naar de haven wil brengen en kan
helpen met vertalen.
Als Bobby ons bij het hotel op komt halen, heeft hij een
vriend meegenomen. Hij legt uit dat het hier 's avonds niet
veilig is, dat er vaak mensen worden overvallen en hier
niet alleen durft te komen. We gaan terug naar het strandje
waar de vissersboot voor anker ligt. Als wij er geen problemen
mee hebben om de nacht verder op het dek te slapen heeft
ook de kapitein er geen probleem mee als we met hem meevaren.
We hoeven er zelfs niets voor te betalen. Om 05.00 uur wordt
de rest van de bemanning wakker. Ze staan eerst raar te
kijken als ze ons zien omdat ze nog nooit eerder blanke
passagiers mee hebben genomen. Wij trekken dan ook alle
aandacht en worden snel in de groep opgenomen. Helaas wordt
er op deze tocht niet veel gevist omdat ze op weg naar hun
thuisbasis zijn. Lungaon is maar een klein dorpje waar niet
meer dan vijftig vissers wonen. Omdat Coron aan de andere
kant van het eiland ligt en er geen weg over het eiland
naar dit dorp loopt, biedt onze kano de ideale oplossing.
De vissers kijken met grote verbazing hoe wij uit onze tas
zo'n grootte boot weten te bouwen. In eerste instantie kijken
ze maar wantrouwend naar de lichte constructie, maar als
we ze laten zien hoe je de boot moet bevaren, raken ze overtuigd
en staan ze te dringen om het zelf eens uit te proberen.
"Daar moet op gedronken worden !", zeggen ze.
Er worden meteen enkele flessen Tanduay rum tevoorschijn
gehaald en worden er een aantal vissen op het vuur gaar
gebakken. Het duurt niet lang of we zijn te zat om de peddels
nog serieus vast te pakken en beginnen de volgende dag pas
met de tocht naar het zuidelijker gelegen Coron.
Golvennachtmerrie
Als we de baai uit varen nemen de golven meteen fors toe.
De golven lijken niet alleen hoger omdat we nu in een veel
kleiner bootje zitten, ze worden ook steeds hoger omdat
we momenteel in het springtij zitten: Een extra hoge tij
die ontstaat als het volle maan is.
Ondanks we nu toch wel zo'n beetje aan al die hoge golven
zijn gewend en weten dat de Ally heel veel kan hebben, begint
het gedonder pas echt als we voorbij Dinaran Island zijn.
De golven worden nog hoger en komen links van opzij waardoor
het moeilijk is om de kano goed op koers houden. Telkens
weer, worden we door zo'n enorme golf omhoog gestuwd, waarna
we op de top een angstig overzicht over de volgende golfsituatie
hebben. Vervolgens verdwijnen we weer in een diep dal waarin
we door miljoenen liters water ineen zijn gesloten. We hebben
het gevoel alsof we het notendopje in een golfslagbad zijn.
Het spatdek is nu echt onmisbaar want er slaat veel water
over ons heen, binnen de kortste keren zijn we doorweekt.
Pas nu komt het er echt op aan dat we goed op elkaar kunnen
vertrouwen, dat we in een hoog tempo de juiste peddelslagen
geven, dat we tegelijkertijd tegengewicht geven en hierdoor
niet uit balans raken en omslaan ... kortom, dat er gewoon
keihard gewerkt moet worden om ons en de Ally hier heelhuids
uit te krijgen. Ik moet er niet aan denken dat we juist
hier om zullen slaan. Aan de kust is geen zandstrandje of
aanlegmogelijkheid te bekennen, alleen hoge kliffen waar
de golven met grof geweld op stuk worden geslagen. Nooit
zullen wij de kano en onszelf in veiligheid kunnen brengen
als het hier, op deze plek, fout zou gaan. Golven op zich
zelf zijn niet zo erg en hoge golven hoeven ook geen probleem
te vormen, althans ... zolang het glijdende golven zijn.
Rollende golven zijn een veel groter gevaar voor zo'n klein
bootje. Een rollende golf van één meter kan
veel meer schade veroorzaken dan een glijdende golf van
vier meter. Gelukkig heb je rollende golven meestal alleen
bij de branding. Vier meter hoge glijdende golven lijken
wel eng, maar ook nu bewijst het weer dat we er met de nodige
inspanning toch goed doorheen komen.
Een paar honderd meter verder komen we in een stroom van
kruisgolven terecht en dat is nou net waar het probleem
weer ontstaat. Door de verschillende stromingen die in de
Sulu Zee heersen, ontstaan er ook golven die uit verschillende
richtingen komen. We zijn dit ver schijnsel al eerder tegengekomen
in de passage tussen Boracay en Carabao Island, maar die
waren niets vergeleken met dat golvennest waar we nu in
zitten. Deze golven zijn absoluut van waanzinnige omvang,
zeker 4 a 4,5 meter hoog waarvan alleen de top omslaat.
We kunnen het in de verte al aan zien komen ... "Goede
God", denk ik, "Moeten wij daar met onze Ally
doorheen, hoe moeten we deze golven in hemelsnaam doorkruisen
?". Het witte schuim van de omslaande golven komt steeds
dichterbij, waarna deze direct wordt gevolgd door twee andere
golven die er veel te dreigend uitzien. Weer duiken we diep
weg tussen de muren van de kolossale waterreuzen. Alles
bij elkaar lijkt het een eeuwigheid te duren voordat we
weer omhoog worden geduwd en ons noodlot af moeten wachten.
Vlak voor ons breken twee golven op elkaar. We varen over
het wilde witte nalatende schuim. Waar en hoe de volgende
golf gaat komen valt heel moeilijk in te schatten. Pas op
het moment dat de golf samenkomt kan je zien waar de golf
om zal slaan. Verder is het adem inhouden en bidden want
er valt zonder krachtige motor weinig te omzeilen.
Steven stoot me aan ... "Moet je dat zien ... ach ...
nee !! ... Er rollen twee gigantische golven op elkaar in.
Hoe dichterbij we zijn des te groter ze lijken. Precies
op het moment dat de twee golven samenkomen en omslaan zijn
wij op dat ene plekje waar we nou net niet horen te zijn.
We zien het aankomen ... "Dit gaat fout !", zegt
Steven ... "ja, dit gaat fout !" ... shit ....
shit ..... oooooohhhhhh ssshhiit .........ssssshhhhiiiiiiitttttbbbBBRROOEEMMMM!!!!
Er is geen ontkomen meer aan, de golf slaat precies op de
kano. Even lijkt het alsof we om dreigen te slaan maar een
wonder houdt ons overeind. Het lukt ons om in balans te
blijven. "Pffffoe !", we slaan een kreet van opluchting.
Het is net alsof dit het klapstuk van het hele schouwspel
was want vanaf dit moment wordt alles een stuk rustiger.
Althans ... 'wat' rustiger want ik voel me nog steeds vaak
onaangenaam als we weer in zo'n huizenhoge golf verdwijnen.
De kruisgolven zijn we gelukkig voorbij en varen nu de Coron-passage
in: De passage tussen Busuanga en Coron Island. We hebben
de golven nu in de rug waardoor we vanzelf steeds verder
de passage in deinen en alleen nog maar bij hoeven te sturen.
Terwijl de adrenalinekick nog steeds door ons lichaam stroomt,
kunnen onze armen eindelijk weer een beetje tot rust komen.
De golven worden nu steeds lager en het water rustiger,
totdat we ons uiteindelijk op spiegelglad water bevinden
en langs de paalwoningen de haven van Coron binnenvaren.
Bij aankomst trakteren we onszelf op een heerlijk vismaal
en een fles Tanduay rum, waar we een toost brengen op de
arme vissers die op deze wateren hun rijst moeten verdienen.
Tekst
en foto's: Tristan R. Raggers en Steven Spaink
|