|
'World
Canoe Expedition deel 2'
Wereldreizigers
doen verslag vanaf de Filippijnen
We gaan op zoek naar verborgen meren en duiken in een oude
krater waar we bizarre ontdekkingen doen. Vervolgens slaan
we voor twee weken mondvoorraad in en en kanoën naar
de eenzaamheid van onbewoonde paradijzen in de Zuid-Chineze
zee. We peddelen, vissen, slapen op verlaten stranden en
gaan op zoek naar een oud Japans oorlogswrak dat net onder
de zeespiegel verborgen ligt.
Verborgen
paradijs
We blijven een aantal dagen in Coron om tot rust te komen
en de kano te repareren. Tijdens de golvennachtmerrie is
het uiterste van de kano vereist en zijn er een aantal plastic
verbinding stukjes gescheurd. We hebben geen reserve bij
ons maar met een beetje vindingrijkheid en een stevige vislijn
weten we een stevige noodoplossing aan te brengen. We trekken
veel aandacht bij de vissersmannen en informeren meteen
naar de stromingen, het tij, eilandjes en verborgen plekjes
in het gebied. We krijgen de tip over een aantal vulkanische
meren die op Coron Island verborgen liggen. Lake Cayangan
is hier de mooiste van. Ze waarschuwen dat het echter moeilijk
te vinden is en we krijgen een uitgetekende routebeschrijving
mee, hoe we er kunnen komen. We besluiten er morgen eens
een kijkje te gaan nemen.
Coron Island kent veel verborgen lagoons waar het water
glashelder is en je tot diep het mooi gekleurde koraal en
de vissen kunt zien. Als we bij de juiste lagoon terechtkomen
en de beschreven weg volgen, meren we de kano bij een groep
rotsen en volgen het pad over de bergkam. Na een half uurtje
lopen komen we uit in een waar paradijs. Het meer is turkoois
van kleur en tussen de hoge scherpe kalkstenen rotsen groeien
bomen en struiken met, voor mij onbekende, bloemen. Doordat
Lake Cayangan een vulkanisch meer is dat in de loop der
jaren door het regenwater is ontstaan, is het water zoet
en een stuk warmer dan in vergelijking met de zee. Omdat
we hiervandaan maar een klein deel van het meer kunnen zien
en het pad hier ophoudt, besluiten we de kano op te halen
en over te dragen. Geen makkelijk karwei, daar het pad heel
smal en onregelmatig is en we regelmatig met de Ally in
de dichte begroeiing blijven steken. Er is hier geen strandje
waar we de kano gemakkelijk ter water kunnen laten. We moeten
hierdoor met de kano over een omgevallen boomstam balanceren,
voordat we deze ter water kunnen laten. Voorbij de eerste
bocht blijkt het meer veel groter dan verwacht en zijn er
verschillende aftakkingen die naar andere kleinere meertjes
leiden. Direct vanuit het water rijzen de scherpen kalkrotsen
tot hoog boven ons uit. Omdat we helemaal ingesloten zitten
en er geen zuchtje wind staat, is het water spiegelglad.
Het water zo helder, dat als ik over de rand van de boot
hang, ik wel zo'n dertig meter naar beneden kan kijken.
We doen onze snorkels en maskers op en springen in het water.
De boot kunnen we hier gewoon laten drijven, deze kan toch
nergens heen. Zo stijl en scherp als de rotsen het water
uitrijzen, zo stijl vervolgen ze ook hun weg onder water.
Er zwemmen hier gigantische vissen. De vissers mannen kunnen
hier namelijk niet met hun outriggerbootjes(1) komen, waardoor
de natuur hier niet uit zijn evenwichtige verband is getrokken.
Dit is zonder uitzondering een van de mooiste plekjes waar
ik ooit geweest ben. We zijn hier op een plaats waar geen
ander bootje kan komen en geen pad de geheimen en de schoonheid
van dit verborgen meer blootgeeft. Een absoluut paradijsje
waarvan ik hoop dat het voorlopig zo onontdekt blijft.
Zeepaardjes en melkwater
Even voorbij Lake Cayangan ligt een andere lagoon waar we
op ontdekkingsjacht gaan. Volgens onze zeekaart moet ook
hier ergens een meer verborgen liggen. Er lijkt echter niet
veel te zijn, totdat we een soort van natuurlijk poortje
tussen de kalkrotsen zien, wat onze nieuwsgierigheid opwekt.
We meren de kano bij een uitstekende rots en klimmen over
de rotsen. Deze zijn vlijmscherp en waarschijnlijk komt
dat door een vroegere vulkanische uitbarsting. Niet veel
later komen we bij het meer uit. Vanaf een hoge rots hebben
we een mooi uitzicht over het meer. Ook hier is het water
vrij helder maar lijkt het na een meter of tien troebel
te worden. Vanaf de rots springen we zo'n zes meter lager
het meer in. Het water is ontzettend warm, nog veel warmer
dan in Lake Cayangan. Onze nieuwsgierigheid wordt versterkt
door de troebele laag en de naam die dit meer draagt: Baracuda
Lake. Misschien doet dit meer zijn naam wel eer aan. Omdat
het al laat begint te worden, besluiten we morgen terug
te komen.
Bij een duikschool huren we een duikuitrusting en peddelen
terug naar Baracuda Lake. Met duikuitrusting en al, klimmen
we over de scherpe rotsen. Dit moet met de grootste voorzichtigheid
gebeuren zodat we de uitrusting niet beschadigen. In het
water meten we een temperatuur van 28 graden. Naarmate we
dieper gaan neemt de temperatuur geleidelijk toe. Als we
op veertien meter diepte zijn, komen we in de troebele laag
terecht. Het is een soort melkachtige substantie die ontstaat
op de scheidingslijn van het zoete regenwater dat op de
bovenlaag drijft en het, zwaardere, zoute water dat d.m.v.
een onderstroom door een grot vanuit zee binnenkomt.
Twee meter dieper bevinden we ons in de zoute onderlaag
en wordt het water weer helder. Het water wordt steeds warmer,
waardoor ik een beetje benauwd gevoel krijg, alsof we in
een sauna zitten. Op 32 meter diepte bereiken we de bodem
en meten we een temperatuur van 41 graden. De bodem bestaat
uit een dikke modderlaag dat is ontstaan door het vulkanische
verschijnsel. Als ik mijn arm erin steek voelt het glibberig
en warm aan.
Er is heel weinig leven onder water te bekennen. Slechts
een handvol lelijke vissen proberen iets voedzaams uit een
paar zielige bosjes zeewier te knabbelen. De grotachtige
rotsen zijn bedekt met een dikke bruine laag van modder
en zwavel waar weinig vrolijks uit valt te halen en over
barracuda's, daar hoeven we al helemaal niet meer op te
hopen. Toch is deze duik absoluut de moeite waard, vooral
als we vlakbij de rotsen een bijna doorzichtig organisme
aanschouwen. Als we dichterbij komen, blijkt dat het een
... een zeepaardje, het is een zeepaardje !
Als we weer richting de oppervlakte zwemmen neemt de temperatuur
van het water af en lijkt 28 graden voor enkele seconde
ineens ijskoud aan te voelen. Als we de melkachtige laag
doorkruisen is het alsof we als een vliegtuig boven het
wolkendek uitkomen. Ineens is de blauwe lucht en de zon
weer zichtbaar.
Typhoon
op komst
Nadat we bij de vissers nauwkeurig over de stromingen en
eilandjes van de Calamian Group hebben geïnformeerd
en de route en alle coördinaten hebben uitgestippeld,
slaan we voor twee weken voedsel en water in. We plannen
om vanuit Coron naar de kleine onbekende eilandjes in de
Gutob Baai te varen. Deze eilandjes komen uit in de Zuid
Chinese Zee en zijn de meest westelijke gelegen eilanden
van de Filippijnen. Het zijn een twaalftal eilanden waar
de meeste onbewoond van zijn of waar enkel wat Tagbanua's
wonen: Semi-nomaden met negrito bloed (soort van dwergnegers).
De eerste dag varen we tot Apo Island. Het hele gebied tussen
Busuanga Island en Apo Island bestaat uit mangrove wat tijdens
eb, door de lage waterstand, ontoegankelijk is en we tot
de volgende morgen moeten wachten. Omdat het mangrove bos
een doolhof van kleine slootjes is, vinden we de juiste
doorgang pas als er een klein vissersbootje uit komt varen.
Halverwege komen we een ander bootje tegen die te diep steekt
en in de modder vast is komen te liggen. Ook hij moet wachten
tot het water weer stijgt.
Via de duikschool in Coron zijn we achter de coördinaten
van een oud Japans oorlogswrak gekomen dat net onder de
zeespiegel verborgen ligt. Volgens de kaart moet dat vlakbij
Lusong Island liggen. Met onze G.P.S. (Global Position System):
Navigatie systeem via de satelliet, gaan we op zoek naar
de exacte plaats. Als de G.P.S. aangeeft dat we er vlak
boven moeten zijn springen we met onze snorkels in het water
en gaan op zoek naar het wrak. De G.P.S. blijkt vrij nauwkeurig
want het wrak ligt er maar enkele meters vandaan. Het schip
is niet zo heel erg groot en de reden dat hij net onder
de waterspiegel ligt is omdat hij vlakbij land is gezonken.
De boegpunt steekt naar boven en is heel goed te zien, maar
de bodem loopt hier schuin af waardoor de kont van het schip
een stuk dieper ligt en alleen met een duikuitrusting is
te bereiken. Omdat het wrak er al vanaf de tweede wereldoorlog
ligt, zijn er in de loop van de jaren veel koralen op het
metaal gegroeid wat veel vis aantrekt. De felle zon zorgt
ervoor dat het koraal prachtig opkleurt en ook de grote
variëteit van vis steekt prachtig af tegen de sombere
kleuren van het verroeste metaal.
Als we langs Manglet Island varen, worden we vanaf de kant
door een blanke gewuifd. Als we aan wal gaan blijkt de man
een Amerikaanse zeebioloog te zijn die hier een onderzoekscentrum
op heeft gericht. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons van
alles over zijn onderzoeken naar het klonen van schelpdieren
uit te leggen en leert ons welke schelpen in dit gebied
eetbaar zijn. Pas als we Calumbuyan Island voorbij zijn,
komen we in de Gutob Baai. De zee is hier vrij rustig en
door de beschutting van de vele eilandjes hoeven we niet
bang voor stromingen te zijn die ons naar open zee af zullen
laten drijven. De eilandjes liggen elk niet meer dan een
aantal kilometers van elkaar vandaan en zien er allemaal
even aanlokkelijk uit met hun parelwitte stranden ... althans,
dat lijkt het. De meeste stranden mogen er van ver af dan
wel mooi uitzien maar van dichtbij blijken het meestal koraalstrandjes
te zijn. Doordat de vissers hier in het verleden dynamiet
gebruikte om te vissen, is bijna al het koraal verwoest
en spoelt dit aan op de stranden. Wat eens dus paradijselijke
oorden waren, zijn nu eilandjes met stranden waar je met
blote voeten niet meer kunt lopen omdat het bezaaid ligt
met scherpe stukken dood koraal.
Maltatayoc Island is nog een van die onbewoonde eilandjes
dat over een mooi zandstrand beschikt. Dit eiland is niet
echt geschikt om te bewonen omdat boten hier niet aan kunnen
meren. De gehele kust bestaat uit tientallen meters koraal
dat net een paar centimeter onder het wateroppervlakte staat.
Omdat onze Ally maar acht centimeter diep steekt, is dit
net voldoende om zonder scheuren aan land te komen. Toch
moeten hier ooit mensen gewoond hebben omdat we midden in
de nacht door ratten opgewekt worden die het op onze voedselvoorraad
hebben voorzien.
Na de tiende dag slaat het weer opeens helemaal om. Het
begint hard te waaien en de lucht kleurt zwart/geel: Het
teken dat een typhoon op komst is. Als we niet voor een
aantal dagen op zo'n klein eilandje gevangen willen zitten,
moeten we de peddels flink in het water steken om zo dicht
mogelijk bij Coron te komen. Onderweg begint het steeds
harder te waaien en ontstaat er een hogere golfslag. We
hebben het geluk dat de wind en de golven van achteren staat
en we snel vorderen. Pas tegen de avond bereiken we Coron
weer. Niets te vroeg want het begint nu pas echt te spoken
en is het tijd om de ramen en deuren voor een aantal dagen
te sluiten.
Het duurt een aantal dagen voordat de typhoon over is gewaaid
en we Coron weer kunnen verlaten. Met een grootte outriggerboot
verlaten we de Calamian Group en gaan naar El Nido, op het
hoofdeiland van Palawan. Deze hele westelijke kuststreek
staat bekend om zijn mooie snorkelwater en dat is dan ook
wat we het meeste van de tijd doen als we niet verder, richting
het zuiden, aan het peddelen zijn. We slapen vaak op kleine
strandjes en leven van de vis die we met onze onderwaterharpoen
vangen en de schelpen die we verzamelen.
Na acht dagen komen we aan in Sabang waar de kano uit elkaar
wordt gehaald en we met een jeepney(2) naar Puerto Princesa
worden gebracht om de boot naar Manilla te halen. We moeten
nu wel terug naar de hoofdstad omdat onze vlucht naar Australië
over een paar dagen vertrekt.
De Ally blijft nu, wat betreft de Filippijnen, in de kanozak
en zal daar pas weer uitkomen voor een tocht over de zuidelijke
wereldstomingen in Australië.
Tekst
en foto's door: Tristan R. Raggers en Steven Spaink
|