|
Island
hoppen in de Filippijnen
Tristan Raggers zwierf met een vriend en een opvouwbare kano twee
jaar over de wereld. Al eerder verscheen hij in Outdoor Magazine
over Bangladesh, nu vertelt hij over de eertse etappe van zijn
kanotocht, tussen de bounty-eilanden van de Filippijnen.
Na
twee weken duiken op het eiland Boracay in de Filippijnse archipel
gaat de 'World Canoe Expedition' van start. De komende zes weken
willen we met onze opvouwbare canadees wegvaren van het toerisme
in de richting van onbekende eilandjes. Voordat we beginnen aan
de eerste etappe naar de noordelijker gelegen Carabao en Tablas
Islands, moeten we eerst wachten totdat een lichte typhoon is
overgewaaid. Na drie dagen is de storm voorbij en slaan we eten
en water voor een paar dagen in. Op het moment dat we de Ally
naar het strand dragen zijn wij voor de verandering 'de toeristische
attractie'. Menig mond valt open als we vertellen dat we naar
Santa Fe op Tablas Island gaan, zo'n twee dagen peddelen van hier.
"Why don't you go by banka(1), it's only 50 peso". We
kunnen ze niet laten begrijpen dat we dit voor ons plezier doen.
"Waarom beklimmen mensen bergen ?", dat is net zoiets.
Een Duitser, die hier volgens zeggen al dertien jaar komt, vertelt
ons over de sterke stroming en de hoge golven die er tussen Boracay
en Carabao Island zijn. Dit weten we echter al omdat we tijdens
een van onze proeftochten eerder in deze passage hebben gevaren.
Daarom maken we de oversteek ook tussen de getijdenstromingen
door en hebben we ons vertrek van de windsterkte af laten hangen.
Wat we echter nog niet weten is dat er, volgens hem, acht meter
lange, zeer hongerige, haaien leven, er gevaarlijke draaikolken
zijn en dat de bewoners van Carabao Island vriendelijk lijken
maar niet te vertrouwen zijn. Het is ons al snel duidelijk dat
deze man nogal van overdrijven houdt of ons gewoon wil proberen
te imponeren met zijn stoere praatjes. We weten dat er haaien
leven want die hebben we een aantal dagen geleden tijdens het
duiken zelf gezien, maar dat is wel op dertig meter diepte. We
weten ook dat de film 'Jaws' hier niet is opgenomen, dat er geen
schepen door draaikolken of wat voor reden dan ook zijn vergaan
en dat er geen kannibalen of koppensnellers meer op Carabao Island
leven. De hoogste tijd dus om te vertrekken. Via de westelijke
kustlijn van Boracay varen we naar de top van het eiland. De wind
komt vanuit het oosten, dus de eerste zes kilometer varen we in
de luwte. Voordat we langs de kliffen, in het noorden van het
eiland, varen en aan de oversteek beginnen, spannen we het spatzeil
op een strandje over de Ally en trekken onze zwemvesten aan. De
overtocht blijkt in het begin mee te vallen, totdat we halverwege
in kruisgolven terecht komen: Dit is als er golven van verschillende
kanten tegen elkaar opbotsen en een onvoorspelbare, vaak rollende
golf, laat ontstaan. Het is net alsof we op een wildwater rivier
varen en kunnen de kano dan ook maar met moeite in koers houden.
Golven slaan stuk op het spatdek en we gaan nog maar langzaam
vooruit. Als we de kruisgolven voorbij zijn, hebben we de golven
half van achteren, waardoor we minder peddelslagen hoeven te geven
om toch snel vooruit te komen. We zijn nu ruim over de helft en
het is nog zo'n twee kilometer tot Carabao Island. We landen bij
een klein strandje waar een tiental kinderen spelen. We vragen
de ouders of we hier even kunnen zwemmen en uitrusten. We delen
wat snoep aan de kinderen en sigaretten aan de mannen uit. Voor
het eerst maken we de ontspannen Filippijnse sfeer mee. Kinderen
rennen in hun blootje rond en verdringen zich om ons en de kano
heen. De ouders lachen en kijken toe vanuit de schaduw of komen
nieuwsgierig aan de kano voelen. We varen verder langs de kust
en genieten van het alleen zijn, de vrijheid en weg van het toerisme.
Aan het eind van de middag komen we bij een piepklein dorpje uit.
Men spreekt hier geen woord Engels en met tekeningen en gebaren
proberen we uit te leggen dat we hier onze tent op willen zetten
om de nacht door te brengen. "Wat bedoelen die gekke blanke...
niemand kan toch een huis in zo'n klein bootje meenemen?!".
Men gebaart ons mee te komen en bieden ons een slaapplaats in
een leegstaand huisje aan. Een van de dorpsjongens is vereerd
met zijn nieuwe westerse vrienden en klimt in een palmboom om
een aantal kokosnoten voor ons te plukken.
Het dorpje begint de volgende ochtend al vroeg te leven. Op het
moment dat wij vertrekken zijn de meeste vissers al uitgevaren.
De zee is rustig en er staat weinig wind. We varen kilometers
langs hoge kliffen met af en toe een klein strandje. Het eiland
kent niet veel bewoners, slecht een enkele keer komen we een vissersbootje
van de dorpelingen tegen, waar we afgelopen nacht bij in het dorp
hebben geslapen. Op de kop van het eiland is een dorpje waar we
aanmeren. Aan een visser op het strand proberen we met gebaren
te vragen of de oversteek naar Santa Fe een probleem zal zijn:
"No prob-bel-lem, no prob-bel-lem", is zijn antwoord.
De oversteek is langer dan van Boracay naar Carabao Island, maar
de zee is zo rustig dat het inderdaad geen enkel probleem geeft.
Vissersboot
zonder vangst
De volgende bestemming is de Calamian Group in Noord Palawan.
Om hier te komen moeten we eerst naar Mindoro. Dit eiland ligt
echter te ver weg om de oversteek per kano te maken. In de havenplaats
Odionga, zo'n twee dagen peddelen van Santa Fe, vertrekt een grootte
outriggerboot(1) naar Mindoro. Als we hier aankomen nemen we een
jeepney(2) naar San Jose dat aan de andere kant van het eiland
ligt en waar boten naar Palawan vertrekken. In San Jose beginnen
we te informeren wanneer er een boot naar Coron, in Noord Palawan,
vertrekt. In tegenstelling met wat ons is verteld, blijkt er helemaal
geen regelmatige passagiersverbinding vanaf San Jose naar Palawan
te gaan. De reden hiervoor is dat de zee in deze straat vaak onvoorspelbaar
en te gevaarlijk voor de kleine bootjes is. Daarbij staat er een
sterke stroming die naar de Zuid Chinese Zee leidt en er, in geval
van afdrijven, voor honderden kilometers geen land meer te bekennen
is. Met al deze informatie valt ook de oversteek met onze Ally,
volgens de veiligheidsmaatregelen van ons persoonlijke kano handboek,
af. Alleen de oversteek met een grootte passagiersboot vanuit
Manilla zou verantwoord zijn. Nu hebben we alleen de pech dat
deze maar één keer per week vertrekt en dat was
gisteren. Ik krijg het idee om het eens bij de grote vaart te
proberen. Het blijkt dat er die avond een grote olietanker vanuit
Manilla binnenkomt die de volgende ochtend naar Puerto Princesa
vertrekt. We zouden eventueel met dit schip mee kunnen. Puerto
Princesa ligt echter wel op Palawan, maar veel te veel naar het
zuiden. Het zal dagen kosten om dan weer terug naar Coron te reizen.
We besluiten terug naar de haven te gaan en aan de vissers te
vragen of iemand naar Coron gaat waar we eventueel mee aan boord
kunnen. Bobby, onze tricycle(3) chauffeur die ons naar de haven
brengt, blijkt erg behulpzaam als we hem ons probleem voorleggen.
Bij de vissersboten helpt hij ons met vertalen. Na een lange tijd
van rondvragen, komen we uiteindelijk bij een boot aan die vannacht
om vijf uur naar Lungaon vertrekt. Lungaon is een klein vissersdorpje
op Busuanga Island, hetzelfde eiland waar Coron ook ligt. De kapitein
is er op dat moment niet maar één van zijn bemanningsleden
zegt dat we om 02.00 uur terug moeten komen. We nodigen Bobby,
als dank voor zijn hulp, bij het avondmaal uit en vragen of hij
ons vannacht weer naar de haven wil brengen en kan helpen met
vertalen.
Als Bobby ons bij het hotel op komt halen, heeft hij een vriend
meegenomen. Hij legt uit dat het hier 's avonds niet veilig is,
dat er vaak mensen worden overvallen en hier niet alleen durft
te komen. We gaan terug naar het strandje waar de vissersboot
voor anker ligt. Als wij er geen problemen mee hebben om de nacht
verder op het dek te slapen heeft ook de kapitein er geen probleem
mee als we met hem meevaren. We hoeven er zelfs niets voor te
betalen. Om 05.00 uur wordt de rest van de bemanning wakker. Ze
staan eerst raar te kijken als ze ons zien omdat ze nog nooit
eerder blanke passagiers mee hebben genomen. Wij trekken dan ook
alle aandacht en worden snel in de groep opgenomen. Helaas wordt
er op deze tocht niet veel gevist omdat ze op weg naar hun thuisbasis
zijn. Lungaon is maar een klein dorpje waar niet meer dan vijftig
vissers wonen. Omdat Coron aan de andere kant van het eiland ligt
en er geen weg over het eiland naar dit dorp loopt, biedt onze
kano de ideale oplossing. De vissers kijken met grote verbazing
hoe wij uit onze tas zo'n grootte boot weten te bouwen. In eerste
instantie kijken ze maar wantrouwend naar de lichte constructie,
maar als we ze laten zien hoe je de boot moet bevaren, raken ze
overtuigd en staan ze te dringen om het zelf eens uit te proberen.
"Daar moet op gedronken worden !", zeggen ze. Er worden
meteen enkele flessen Tanduay rum tevoorschijn gehaald en worden
er een aantal vissen op het vuur gaar gebakken. Het duurt niet
lang of we zijn te zat om de peddels nog serieus vast te pakken
en beginnen de volgende dag pas met de tocht naar het zuidelijker
gelegen Coron.
Golvennachtmerrie
Als we de baai uit varen nemen de golven meteen fors toe. De golven
lijken niet alleen hoger omdat we nu in een veel kleiner bootje
zitten, ze worden ook steeds hoger omdat we momenteel in het springtij
zitten: Een extra hoge tij die ontstaat als het volle maan is.
Ondanks we nu toch wel zo'n beetje aan al die hoge golven zijn
gewend en weten dat de Ally heel veel kan hebben, begint het gedonder
pas echt als we voorbij Dinaran Island zijn. De golven worden
nog hoger en komen links van opzij waardoor het moeilijk is om
de kano goed op koers houden. Telkens weer, worden we door zo'n
enorme golf omhoog gestuwd, waarna we op de top een angstig overzicht
over de volgende golfsituatie hebben. Vervolgens verdwijnen we
weer in een diep dal waarin we door miljoenen liters water ineen
zijn gesloten. We hebben het gevoel alsof we het notendopje in
een golfslagbad zijn. Het spatdek is nu echt onmisbaar want er
slaat veel water over ons heen, binnen de kortste keren zijn we
doorweekt. Pas nu komt het er echt op aan dat we goed op elkaar
kunnen vertrouwen, dat we in een hoog tempo de juiste peddelslagen
geven, dat we tegelijkertijd tegengewicht geven en hierdoor niet
uit balans raken en omslaan ... kortom, dat er gewoon keihard
gewerkt moet worden om ons en de Ally hier heelhuids uit te krijgen.
Ik moet er niet aan denken dat we juist hier om zullen slaan.
Aan de kust is geen zandstrandje of aanlegmogelijkheid te bekennen,
alleen hoge kliffen waar de golven met grof geweld op stuk worden
geslagen. Nooit zullen wij de kano en onszelf in veiligheid kunnen
brengen als het hier, op deze plek, fout zou gaan. Golven op zich
zelf zijn niet zo erg en hoge golven hoeven ook geen probleem
te vormen, althans ... zolang het glijdende golven zijn. Rollende
golven zijn een veel groter gevaar voor zo'n klein bootje. Een
rollende golf van één meter kan veel meer schade
veroorzaken dan een glijdende golf van vier meter. Gelukkig heb
je rollende golven meestal alleen bij de branding. Vier meter
hoge glijdende golven lijken wel eng, maar ook nu bewijst het
weer dat we er met de nodige inspanning toch goed doorheen komen.
Een paar honderd meter verder komen we in een stroom van kruisgolven
terecht en dat is nou net waar het probleem weer ontstaat. Door
de verschillende stromingen die in de Sulu Zee heersen, ontstaan
er ook golven die uit verschillende richtingen komen. We zijn
dit ver schijnsel al eerder tegengekomen in de passage tussen
Boracay en Carabao Island, maar die waren niets vergeleken met
dat golvennest waar we nu in zitten. Deze golven zijn absoluut
van waanzinnige omvang, zeker 4 a 4,5 meter hoog waarvan alleen
de top omslaat. We kunnen het in de verte al aan zien komen ...
"Goede God", denk ik, "Moeten wij daar met onze
Ally doorheen, hoe moeten we deze golven in hemelsnaam doorkruisen
?". Het witte schuim van de omslaande golven komt steeds
dichterbij, waarna deze direct wordt gevolgd door twee andere
golven die er veel te dreigend uitzien. Weer duiken we diep weg
tussen de muren van de kolossale waterreuzen. Alles bij elkaar
lijkt het een eeuwigheid te duren voordat we weer omhoog worden
geduwd en ons noodlot af moeten wachten. Vlak voor ons breken
twee golven op elkaar. We varen over het wilde witte nalatende
schuim. Waar en hoe de volgende golf gaat komen valt heel moeilijk
in te schatten. Pas op het moment dat de golf samenkomt kan je
zien waar de golf om zal slaan. Verder is het adem inhouden en
bidden want er valt zonder krachtige motor weinig te omzeilen.
Steven stoot me aan ... "Moet je dat zien ... ach ... nee
!! ... Er rollen twee gigantische golven op elkaar in. Hoe dichterbij
we zijn des te groter ze lijken. Precies op het moment dat de
twee golven samenkomen en omslaan zijn wij op dat ene plekje waar
we nou net niet horen te zijn. We zien het aankomen ... "Dit
gaat fout !", zegt Steven ... "ja, dit gaat fout !"
... shit .... shit ..... oooooohhhhhh ssshhiit .........ssssshhhhiiiiiiitttttbbbBBRROOEEMMMM!!!!
Er is geen ontkomen meer aan, de golf slaat precies op de kano.
Even lijkt het alsof we om dreigen te slaan maar een wonder houdt
ons overeind. Het lukt ons om in balans te blijven. "Pffffoe
!", we slaan een kreet van opluchting. Het is net alsof dit
het klapstuk van het hele schouwspel was want vanaf dit moment
wordt alles een stuk rustiger. Althans ... 'wat' rustiger want
ik voel me nog steeds vaak onaangenaam als we weer in zo'n huizenhoge
golf verdwijnen. De kruisgolven zijn we gelukkig voorbij en varen
nu de Coron-passage in: De passage tussen Busuanga en Coron Island.
We hebben de golven nu in de rug waardoor we vanzelf steeds verder
de passage in deinen en alleen nog maar bij hoeven te sturen.
Terwijl de adrenalinekick nog steeds door ons lichaam stroomt,
kunnen onze armen eindelijk weer een beetje tot rust komen. De
golven worden nu steeds lager en het water rustiger, totdat we
ons uiteindelijk op spiegelglad water bevinden en langs de paalwoningen
de haven van Coron binnenvaren. Bij aankomst trakteren we onszelf
op een heerlijk vismaal en een fles Tanduay rum, waar we een toost
brengen op de arme vissers die op deze wateren hun rijst moeten
verdienen.
Verborgen paradijs
We blijven een aantal dagen in Coron om tot rust te komen en de
kano te repareren. Tijdens de golvennachtmerrie is het uiterste
van de kano vereist en zijn er een aantal plastic verbinding stukjes
gescheurd. We hebben geen reserve bij ons maar met een beetje
vindingrijkheid en een stevige vislijn weten we een stevige noodoplossing
aan te brengen. We trekken veel aandacht bij de vissersmannen
en informeren meteen naar de stromingen, het tij, eilandjes en
verborgen plekjes in het gebied. We krijgen de tip over een aantal
vulkanische meren die op Coron Island verborgen liggen. Lake Cayangan
is hier de mooiste van. Ze waarschuwen dat het echter moeilijk
te vinden is en we krijgen een uitgetekende routebeschrijving
mee, hoe we er kunnen komen. We besluiten er morgen eens een kijkje
te gaan nemen.
Coron Island kent veel verborgen lagoons waar het water glashelder
is en je tot diep het mooi gekleurde koraal en de vissen kunt
zien. Als we bij de juiste lagoon terechtkomen en de beschreven
weg volgen, meren we de kano bij een groep rotsen en volgen het
pad over de bergkam. Na een half uurtje lopen komen we uit in
een waar paradijs. Het meer is turkoois van kleur en tussen de
hoge scherpe kalkstenen rotsen groeien bomen en struiken met,
voor mij onbekende, bloemen. Doordat Lake Cayangan een vulkanisch
meer is dat in de loop der jaren door het regenwater is ontstaan,
is het water zoet en een stuk warmer dan in vergelijking met de
zee. Omdat we hiervandaan maar een klein deel van het meer kunnen
zien en het pad hier ophoudt, besluiten we de kano op te halen
en over te dragen. Geen makkelijk karwei, daar het pad heel smal
en onregelmatig is en we regelmatig met de Ally in de dichte begroeiing
blijven steken. Er is hier geen strandje waar we de kano gemakkelijk
ter water kunnen laten. We moeten hierdoor met de kano over een
omgevallen boomstam balanceren, voordat we deze ter water kunnen
laten. Voorbij de eerste bocht blijkt het meer veel groter dan
verwacht en zijn er verschillende aftakkingen die naar andere
kleinere meertjes leiden. Direct vanuit het water rijzen de scherpen
kalkrotsen tot hoog boven ons uit. Omdat we helemaal ingesloten
zitten en er geen zuchtje wind staat, is het water spiegelglad.
Het water zo helder, dat als ik over de rand van de boot hang,
ik wel zo'n dertig meter naar beneden kan kijken. We doen onze
snorkels en maskers op en springen in het water. De boot kunnen
we hier gewoon laten drijven, deze kan toch nergens heen. Zo stijl
en scherp als de rotsen het water uitrijzen, zo stijl vervolgen
ze ook hun weg onder water. Er zwemmen hier gigantische vissen.
De vissers mannen kunnen hier namelijk niet met hun outriggerbootjes(1)
komen, waardoor de natuur hier niet uit zijn evenwichtige verband
is getrokken.
Dit is zonder uitzondering een van de mooiste plekjes waar ik
ooit geweest ben. We zijn hier op een plaats waar geen ander bootje
kan komen en geen pad de geheimen en de schoonheid van dit verborgen
meer blootgeeft. Een absoluut paradijsje waarvan ik hoop dat het
voorlopig zo onontdekt blijft.
Zeepaardjes en melkwater
Even voorbij Lake Cayangan ligt een andere lagoon waar we op ontdekkingsjacht
gaan. Volgens onze zeekaart moet ook hier ergens een meer verborgen
liggen. Er lijkt echter niet veel te zijn, totdat we een soort
van natuurlijk poortje tussen de kalkrotsen zien, wat onze nieuwsgierigheid
opwekt. We meren de kano bij een uitstekende rots en klimmen over
de rotsen. Deze zijn vlijmscherp en waarschijnlijk komt dat door
een vroegere vulkanische uitbarsting. Niet veel later komen we
bij het meer uit. Vanaf een hoge rots hebben we een mooi uitzicht
over het meer. Ook hier is het water vrij helder maar lijkt het
na een meter of tien troebel te worden. Vanaf de rots springen
we zo'n zes meter lager het meer in. Het water is ontzettend warm,
nog veel warmer dan in Lake Cayangan. Onze nieuwsgierigheid wordt
versterkt door de troebele laag en de naam die dit meer draagt:
Baracuda Lake. Misschien doet dit meer zijn naam wel eer aan.
Omdat het al laat begint te worden, besluiten we morgen terug
te komen.
Bij een duikschool huren we een duikuitrusting en peddelen terug
naar Baracuda Lake. Met duikuitrusting en al, klimmen we over
de scherpe rotsen. Dit moet met de grootste voorzichtigheid gebeuren
zodat we de uitrusting niet beschadigen. In het water meten we
een temperatuur van 28 graden. Naarmate we dieper gaan neemt de
temperatuur geleidelijk toe. Als we op veertien meter diepte zijn,
komen we in de troebele laag terecht. Het is een soort melkachtige
substantie die ontstaat op de scheidingslijn van het zoete regenwater
dat op de bovenlaag drijft en het, zwaardere, zoute water dat
d.m.v. een onderstroom door een grot vanuit zee binnenkomt.
Twee meter dieper bevinden we ons in de zoute onderlaag en wordt
het water weer helder. Het water wordt steeds warmer, waardoor
ik een beetje benauwd gevoel krijg, alsof we in een sauna zitten.
Op 32 meter diepte bereiken we de bodem en meten we een temperatuur
van 41 graden. De bodem bestaat uit een dikke modderlaag dat is
ontstaan door het vulkanische verschijnsel. Als ik mijn arm erin
steek voelt het glibberig en warm aan.
Er is heel weinig leven onder water te bekennen. Slechts een handvol
lelijke vissen proberen iets voedzaams uit een paar zielige bosjes
zeewier te knabbelen. De grotachtige rotsen zijn bedekt met een
dikke bruine laag van modder en zwavel waar weinig vrolijks uit
valt te halen en over barracuda's, daar hoeven we al helemaal
niet meer op te hopen. Toch is deze duik absoluut de moeite waard,
vooral als we vlakbij de rotsen een bijna doorzichtig organisme
aanschouwen. Als we dichterbij komen, blijkt dat het een ... een
zeepaardje, het is een zeepaardje !
Als we weer richting de oppervlakte zwemmen neemt de temperatuur
van het water af en lijkt 28 graden voor enkele seconde ineens
ijskoud aan te voelen. Als we de melkachtige laag doorkruisen
is het alsof we als een vliegtuig boven het wolkendek uitkomen.
Ineens is de blauwe lucht en de zon weer zichtbaar.
Typhoon
op komst
Nadat we bij de vissers nauwkeurig over de stromingen en eilandjes
van de Calamian Group hebben geïnformeerd en de route en
alle coördinaten hebben uitgestippeld, slaan we voor twee
weken voedsel en water in. We plannen om vanuit Coron naar de
kleine onbekende eilandjes in de Gutob Baai te varen. Deze eilandjes
komen uit in de Zuid Chinese Zee en zijn de meest westelijke gelegen
eilanden van de Filippijnen. Het zijn een twaalftal eilanden waar
de meeste onbewoond van zijn of waar enkel wat Tagbanua's wonen:
Semi-nomaden met negrito bloed (soort van dwergnegers).
De eerste dag varen we tot Apo Island. Het hele gebied tussen
Busuanga Island en Apo Island bestaat uit mangrove wat tijdens
eb, door de lage waterstand, ontoegankelijk is en we tot de volgende
morgen moeten wachten. Omdat het mangrove bos een doolhof van
kleine slootjes is, vinden we de juiste doorgang pas als er een
klein vissersbootje uit komt varen. Halverwege komen we een ander
bootje tegen die te diep steekt en in de modder vast is komen
te liggen. Ook hij moet wachten tot het water weer stijgt.
Via de duikschool in Coron zijn we achter de coördinaten
van een oud Japans oorlogswrak gekomen dat net onder de zeespiegel
verborgen ligt. Volgens de kaart moet dat vlakbij Lusong Island
liggen. Met onze G.P.S. (Global Position System): Navigatie systeem
via de satelliet, gaan we op zoek naar de exacte plaats. Als de
G.P.S. aangeeft dat we er vlak boven moeten zijn springen we met
onze snorkels in het water en gaan op zoek naar het wrak. De G.P.S.
blijkt vrij nauwkeurig want het wrak ligt er maar enkele meters
vandaan. Het schip is niet zo heel erg groot en de reden dat hij
net onder de waterspiegel ligt is omdat hij vlakbij land is gezonken.
De boegpunt steekt naar boven en is heel goed te zien, maar de
bodem loopt hier schuin af waardoor de kont van het schip een
stuk dieper ligt en alleen met een duikuitrusting is te bereiken.
Omdat het wrak er al vanaf de tweede wereldoorlog ligt, zijn er
in de loop van de jaren veel koralen op het metaal gegroeid wat
veel vis aantrekt. De felle zon zorgt ervoor dat het koraal prachtig
opkleurt en ook de grote variëteit van vis steekt prachtig
af tegen de sombere kleuren van het verroeste metaal.
Als we langs Manglet Island varen, worden we vanaf de kant door
een blanke gewuifd. Als we aan wal gaan blijkt de man een Amerikaanse
zeebioloog te zijn die hier een onderzoekscentrum op heeft gericht.
Hij neemt uitgebreid de tijd om ons van alles over zijn onderzoeken
naar het klonen van schelpdieren uit te leggen en leert ons welke
schelpen in dit gebied eetbaar zijn. Pas als we Calumbuyan Island
voorbij zijn, komen we in de Gutob Baai. De zee is hier vrij rustig
en door de beschutting van de vele eilandjes hoeven we niet bang
voor stromingen te zijn die ons naar open zee af zullen laten
drijven. De eilandjes liggen elk niet meer dan een aantal kilometers
van elkaar vandaan en zien er allemaal even aanlokkelijk uit met
hun parelwitte stranden... althans, dat lijkt het. De meeste stranden
mogen er van ver af dan wel mooi uitzien maar van dichtbij blijken
het meestal koraalstrandjes te zijn. Doordat de vissers hier in
het verleden dynamiet gebruikte om te vissen, is bijna al het
koraal verwoest en spoelt dit aan op de stranden. Wat eens dus
paradijselijke oorden waren, zijn nu eilandjes met stranden waar
je met blote voeten niet meer kunt lopen omdat het bezaaid ligt
met scherpe stukken dood koraal.
Maltatayoc Island is nog een van die onbewoonde eilandjes dat
over een mooi zandstrand beschikt. Dit eiland is niet echt geschikt
om te bewonen omdat boten hier niet aan kunnen meren. De gehele
kust bestaat uit tientallen meters koraal dat net een paar centimeter
onder het wateroppervlakte staat. Omdat onze Ally maar acht centimeter
diep steekt, is dit net voldoende om zonder scheuren aan land
te komen. Toch moeten hier ooit mensen gewoond hebben omdat we
midden in de nacht door ratten opgewekt worden die het op onze
voedselvoorraad hebben voorzien.
Na de tiende dag slaat het weer opeens helemaal om. Het begint
hard te waaien en de lucht kleurt zwart/geel: Het teken dat een
typhoon op komst is. Als we niet voor een aantal dagen op zo'n
klein eilandje gevangen willen zitten, moeten we de peddels flink
in het water steken om zo dicht mogelijk bij Coron te komen. Onderweg
begint het steeds harder te waaien en ontstaat er een hogere golfslag.
We hebben het geluk dat de wind en de golven van achteren staat
en we snel vorderen. Pas tegen de avond bereiken we Coron weer.
Niets te vroeg want het begint nu pas echt te spoken en is het
tijd om de ramen en deuren voor een aantal dagen te sluiten.
Het duurt een aantal dagen voordat de typhoon over is gewaaid
en we Coron weer kunnen verlaten. Met een grootte outriggerboot
verlaten we de Calamian Group en gaan naar El Nido, op het hoofdeiland
van Palawan. Deze hele westelijke kuststreek staat bekend om zijn
mooie snorkelwater en dat is dan ook wat we het meeste van de
tijd doen als we niet verder, richting het zuiden, aan het peddelen
zijn. We slapen vaak op kleine strandjes en leven van de vis die
we met onze onderwaterharpoen vangen en de schelpen die we verzamelen.
Na acht dagen komen we aan in Sabang waar de kano uit elkaar wordt
gehaald en we met een jeepney(2) naar Puerto Princesa worden gebracht
om de boot naar Manilla te halen. We moeten nu wel terug naar
de hoofdstad omdat onze vlucht naar Australië over een paar
dagen vertrekt.
De Ally blijft nu, wat betreft de Filippijnen, in de kanozak en
zal daar pas weer uitkomen voor een tocht over de zuidelijke wereldstomingen
in Australië.
Tekst
en foto's: Tristan R. Raggers
|
|
|
| |
|

|
| Gepubliceerd
in Outdoor Magazine in november 1998 |
| |
|
Gesponsord
door:
Tiekano, Nomad,
Kajak
centrum Arend Bloem, Teva
en Cheasapeake Trading (Tilly Hats).
 |
| Meer
weten over de kano waarmee Tristan R. Raggers en Steven Spaink
op reis zijn geweest, lees het testverslag
van de Ally 16,5 DR. |
(1)
Banka/Outrigger: Boot met aan elke kant een bamboe zijspan
om de boot in evenwicht te houden, zodat deze niet om kan slaan.
(2) Jeepney: Kleine bus die helemaal met glimmend metaalwerk,
felle kleurtjes en lampjes is versiert.
(3) Tricycle: Driewielig motor-voertuig die als taxi fungeren.
|